Waarom is de sloopkogel taboe?

In de aanpak van winkelleegstand domineren woorden als ‘herbestemming’, ‘hergebruik’ en ‘transformatie’. Zo concluderen Radboud Engbersen en Koos van Dijken van Platform 31 na een analyse van de collegeakkoorden van de provincies. Maar waar blijft het woord ‘sloop’?

Een kleine vier maanden na de provinciale verkiezingen van 17 maart 2015 hebben bijna alle provincies hun collegeakkoord klaar: het provinciale beleidskader voor de komende vier jaar. Winkelleegstand is in elke provincie een thema. Alles bij elkaar opgeteld staat er bijna drie miljoen vierkante meter leeg. Radboud Engbersen en Koos van Dijken van kennis- en netwerkorganisatie voor stedelijke en regionale ontwikkeling Platform 31 analyseerden de ‘strijdplannen’ van elf provincies.

Het thema winkelleegstand wordt benoemd in alle provinciale akkoorden, constateert Radboud Engbersen, maar een duidelijk besef van urgentie valt over het algemeen niet te bespeuren. Winkelgebieden komen in aanmerking voor ‘herbestemming’, ‘hergebruik’ en ‘transformatie’. Het blijft veelal bij algemeenheden, stelt Engbersen. Zuid-Holland en Drenthe zijn wat hem betreft twee positieve uitzonderingen. “Beide provincies willen nadrukkelijk tot een visie voor de gehele provincie komen. In plaats van een sprint van de ene naar de andere rampplek.” Zo wordt in Drenthe gewerkt aan een provinciale retailagenda en wordt in Zuid-Holland de samenwerking met regio’s gezocht om tot een gezamenlijk plan van aanpak te komen.

Het dossier ‘sloop’ blijkt niettemin delicaat en wordt slechts sporadisch genoemd, ‘maar de fluwelen handschoenen worden voorzichtig afgeschoven’. “De werkelijkheid is dat de sloop van winkelcentra, maar ook van autoshowrooms en leegstaande kantoorlocaties onvermijdelijk is.” Provincies zouden in onderlinge samenwerking ambitieuze sloopprogramma’s moeten durven initiëren, bepleit Engbersen.

Meer platgooien dus. Hij noemt het waarde creëren door simpelweg dingen weg te halen en wijst naar de woningmarkt. “In krimpregio’s worden in toenemende mate afbouwplannen gerealiseerd. Er worden woningen aan de woningmarkt onttrokken, terwijl de betere blijven staan. Zo ontstaat er meer ruimte rondom de betere woningen en blijft de waarde behouden of voeg je zelfs waarde toe. Dat zouden we toch ook moeten doen in winkelgebieden?” Hij noemt het de snoeimethode. “Als de tuinman einde herfst de heggenschaar in je boom zet schrik je je in eerste instantie wezenloos. Zodra de lente er is blijkt de boom opeens tot bloei te komen.”

Engbersen vindt dat provincies nu aan zet zijn. “Zij hebben het overzicht, zitten op een uitkijkpost. Maar omdat ze niet de instrumenten hebben het probleem zelf aan te pakken wordt er een pro-actieve houding van ze verwacht in de richting van vastgoedpartijen, corporaties, lokale overheden en ondernemers.”

De leegstandsdiscussies zijn zwanger van ouderwetse taal, meent de programmamanager van Platform31. “Er wordt voortdurend gesproken over de winkelstraat. Maar de winkelstraat als begrip is nog maar in beperkte mate houdbaar. De winkelstraat is niet voor ieder gebied meer weggelegd.” Wat de alternatieven zijn? “Leefstraten, wijkstraten, buurtstraten, geef het een naam. Het belangrijkste is het besef dat straten die ooit een dominante winkelfunctie hadden er nieuwe functies bij krijgen. Een straat waar mensen wonen, samenkomen, eten, drinken, werken en winkelen.” En als dat niet haalbaar is, de sloopkogel.

Bron: RetailTrends 7/8