Veel wijkwinkelcentra deden het al goed. Maar mede door de coronacrisis zijn ze nog succesvoller geworden. Hoe komt dat? En waarom zijn er dan toch nog tientallen zorgenkindjes?


'Ik ben even naar de videotheek!' Nee, dat zul je anno 2021 niet vaak meer horen. Al kan het wel. In heel Nederland zijn er welgeteld zestien videotheken over, blijkt uit cijfers van databureau Locatus. Een heel verschil met 2004: toen waren er nog zo'n 1200.


Wijkwinkelcentra hebben de laatste jaren dan ook een behoorlijke metamorfose ondergaan. Niet alleen videotheken zijn goeddeels verdwenen, ook het aantal bankfilialen nam enorm af en er zijn veel minder reis- en uitzendbureaus. In Drenthe en Zeeland zit zelfs geen enkel bankfiliaal meer in een wijkwinkelcentrum, weet vastgoedadviseur Colliers.


Colliers kwam deze vrijdag met een nieuw rapport over wijkwinkelcentra. En er is goed nieuws: ze doen het beter dan vóór de coronacrisis. Zo nam de leegstand tussen 2019 en 2021 af van bijna zeven naar zes procent, terwijl die in de binnensteden toenam van zeven naar tien procent.


Dagelijkse boodschappen

Het succes van wijkwinkelcentra komt volgens Colliers vooral door het grote aanbod van winkels voor de dagelijkse boodschappen. Zoals supermarkten, bakkerijen, vishandels en kaasboeren. Deze werden door de coronacrisis alleen maar belangrijker. De horeca was lange periodes gesloten of beperkt open. En er werd veel thuisgewerkt. Daarom haalden mensen vaker boodschappen en kookten ze vaker.


In coronatijd zijn er in de wijkwinkelcentra door het hele land 129 bezorg- en afhaalpunten voor maaltijden bij gekomen. “Uit eten kon niet of nauwelijks”, zegt Chris Lanting, director retail bij Colliers. “Daar profiteerden ook delicatessenzaken en minisupers zoals etnische supermarkten van. Winkels die elektronica repareren of tweedehandskleding verkopen, werden ook populairder.”


Investeren in modernisering

“Er is door veel eigenaren geïnvesteerd in modernisering”, zegt Lanting. “Zo'n beslissing is eenvoudiger te nemen en uit te voeren als er slechts één of enkele eigenaren zijn. In binnensteden is er veel verdeeld eigendom, wat grootschalige renovaties complexer maakt.” Bovendien is het aanbod in binnensteden heel anders. Er zitten veel modezaken die last hebben van digitale concurrentie.


Colliers heeft de 631 wijkwinkelcentra onderverdeeld in vier categorieën, gebaseerd op langdurige leegstand en dagelijks aanbod. Van slecht naar goed: probleemcentra, risicocentra, kanscentra en topcentra. Het aantal topcentra (met weinig langdurige leegstand - onder de vijf procent - en meer dan zestig procent dagelijks aanbod) steeg van 208 naar 217. Het aantal probleemcentra (met meer dan vijftien procent leegstand en weinig dagelijks aanbod) nam af van 34 naar 31.


Succesverhaal in Enschede

Een succesverhaal is volgens Colliers Het Stroink in Enschede. Twee jaar geleden was dat een risicocentrum, nu een topcentrum. Daar zijn dan ook miljoenen in geïnvesteerd, zegt Roderik Lüschen van eigenaar en ontwikkelaar WP Retail Invest (WPRI). “We vonden het winkelcentrum zwaar gedateerd. Zowel bouwkundig als qua invulling. Er was veel leegstand.”

Het Stroink in Enschede-Zuid in de oude situatie.


WPRI kocht Het Stroink, dat uit midden jaren zeventig dateert, in 2016. De vorige eigenaar wilde alleen een Aldi-supermarkt toevoegen, zegt Lüschen. “Wij hebben het wat rigoureuzer aangepakt.” Zo kwam niet alleen de discounter er met een winkel van zo'n 1500 vierkante meter, maar werd vrijwel het gehele winkelcentrum onder handen genomen.


De gehele passage is vernieuwd en het dak is vervangen en deels voorzien van zonnepanelen. De energie die zo wordt opgewekt, gaat naar Albert Heijn – de fullservicesupermarkt in het winkelcentrum. “We zijn nog bezig met Aldi om daar ook afspraken mee te maken.”


De entrees kregen rieten kappen. “Op zich best opmerkelijk voor een winkelcentrum, maar de architect heeft ons overtuigd. Het ziet er fantastisch mooi uit. En de gevels zijn bekleed met houten lamellen, zodat het één geheel is.”


Ondernemers investeren ook

De ondernemers in Het Stroink trokken zelf ook de portemonnee. De meeste winkels zijn vernieuwd, sommige kregen een ander plekje. Wie verhuisde, kreeg een tegemoetkoming in de kosten. Ook is het aanbod diverser geworden. “Met onder andere een goede snackbar, een viszaak en wat horeca. Het is een verblijfplaats waar je een paar keer per week naartoe gaat en dan is het ook wel fijn als je er bijvoorbeeld met bekenden een kopje koffie kunt drinken.”

Het Stroink in Enschede-Zuid na de verbouwing.
 

Verder is de parkeergelegenheid uitgebreid en is het winkelcentrum beter bereikbaar geworden. Omdat er vlak bij Het Stroink drie scholen zitten, was er vaak geen doorkomen aan als kinderen daar werden afgezet of werden opgehaald. In samenwerking met de gemeente is de weg daar verbreed.


En al die investeringen betalen zich uit, zegt Lüschen. “We horen van ondernemers dat hun omzet verbeterd is. Er zijn meer bezoekers en de bestedingen per klant liggen ook hoger.”


Niet overal hosanna

De algehele trend is positief, maar het is nog lang niet overal hosanna. Elf procent van de wijkwinkelcentra scoort slechter dan twee jaar geleden. Zo kreeg Noord-Holland er twee probleemcentra bij en duikelden in Noord-Holland er zes van kanscentrum naar risicocentrum.


Aan 'naming and shaming' doet Colliers niet. “Om ze niet verder in een negatieve spiraal te duwen”, aldus director retail Lanting. Maar wat deze centra onder meer gemeen hebben: ze zijn vaak verouderd, hebben veelal meerdere eigenaren, weinig dagelijks aanbod en vaak maar één supermarkt, terwijl een wijkwinkelcentrum vlakbij er twee heeft.


Wat het laatste betreft: een fullservicesupermarkt (Albert Heijn of Jumbo) én een budgetsupermarkt (Aldi of Lidl) is een ideale combinatie, zegt Lanting. Eigenaren zouden ook goed moeten kijken naar het omliggende verzorgingsgebied. “Wie wonen er, wat hebben ze te besteden en wat is er aan concurrerende centra in de buurt? Onderscheiden kan bijvoorbeeld al met een Poolse, Turkse of Aziatische supermarkt, als dit aansluit bij de buurt.”


Van wijkwinkelcentra naar wijkcentra

Renovatie is vaak noodzakelijk en dat biedt volgens Lanting meteen ook een kans om het aanbod te veranderen en verhuurders te verschuiven. Inzetten op dagelijkse versproducten blijft ook in de toekomst een succesvolle strategie voor eigenaren van wijkwinkelcentra, zegt hij.


Al zit daar natuurlijk wel een limiet aan. "Eén bakker is een toevoeging, een tweede is een concurrent.” Het is dan slim om naar maatschappelijke voorzieningen te kijken, zoals huisartspraktijken, tandartsen en fysiotherapeuten. “Wijkwinkelcentra transformeren zo tot echte wijkcentra die meer bieden dan alleen winkels.”