Als er momenten zijn waarop je lobbyagenda fundamenteel wordt bepaald, dan zijn het verkiezingen en de daaropvolgende formatie van een nieuw kabinet. De Nederlandse detailhandel (en ook de horeca) heeft door de coronacrisis een dusdanige klap gehad dat er een taak ligt voor de Rijksoverheid om meer te doen voor deze sector. Hoewel ik snap dat veel aandacht opgaat aan het spreekwoordelijke brand blussen, kan het niet anders dat ook de toekomst van de winkelstraat een prominentere plek krijgt op de beleidsagenda. Ik wil drie elementen belichten die hierin van belang zijn. 
 
Meer centrale regie op schaarse ruimte

Zo zien we de afgelopen jaren een trend van meer sturing door het Rijk op zaken die voorheen gedecentraliseerd waren. Bij woonbeleid valt al op dat de minister van BZK meer regie pakt wanneer men er lokaal niet uitkomt. Maar dat gaat over bouwen, voor het winkellandschap is een heel anders soort regie nodig. Namelijk, hoe we op verantwoorde wijze omgaan met krimp van het aantal vierkante meters winkelruimte. 

Dit wordt ook zichtbaar in diverse verkiezingsprogramma’s. Diverse politieke partijen pleiten voor de heroprichting van het ministerie van VROM of voor een ministerie van Wonen. Dat is meer dan een symbolische wijziging. De druk op het realiseren van woningen is zo groot dat het economische belang kan ondersneeuwen. Onze steeds schaarser wordende ruimte vraagt om een integrale en landelijk aangestuurde benadering. De vraag is wat deze trend voor invloed gaat hebben op de sturing op winkelmeters. Nu al zie je winkelvastgoedbeleggers terecht voorsorteren op de herontwikkeling van winkelmeters naar woningen, zorgfaciliteiten of andere functies. Zo heeft Wereldhave al begin 2020 aangekondigd een kwart van zijn winkelruimte te transformeren. Dat moet ook winkelbedrijven aan het denken zetten over hun rol in het winkelcentrum. 

Andere positie in het maatschappelijk debat
Wie de recente conceptverkiezingsprogramma’s naleest zal het zijn opgevallen dat de tone-of-voice over het bedrijfsleven is veranderd. De politieke discussie over de dividendbelasting springt het meest in het oog. Maar het verslechterde sentiment raakt echt niet alleen de multinationals. De hogere belastingen die door veel partijen worden voorgesteld raken alle ondernemers. 

Voor iedere sector moet deze alarmbel aanleiding zijn op een andere wijze je maatschappelijke relevantie te laten zien. Het volstaat niet meer te steunen op harde cijfers en feiten over werkgelegenheid en de bijdrage aan het Bruto Binnenlands Product. Veel waardevoller is de wijze waarop je samenwerkt met je stakeholders. Er zijn veel voorbeelden van winkelbedrijven die in samenwerking met hun leveranciers een beeld geven van de herkomst van hun producten. Aandacht voor ketentransparantie is gegroeid. Bijvoorbeeld, van het katoenveld tot in de winkel of van de wei tot op het bord. Maar er zijn ook voorbeelden van waar de samenwerking soms ver te zoeken is. Bijvoorbeeld met de vastgoedpartijen en leveranciers tijdens de coronacrisis. Daarin was er sprake van een collectief probleem maar, leek de winkelsector weinig oog te hebben voor de impact op andere partijen. Ook vastgoedpartijen en leveranciers hebben hun verplichtingen. 

Voor de toekomst wordt juist de samenwerking tussen sectoren belangrijker dan ooit in de lobby richting politiek Den Haag. Bijvoorbeeld door het maatschappelijk belang van binnensteden centraal te stellen en daarin samen op te trekken met de horeca én de vastgoedsector. Zoeken naar wat elkaar bindt in plaats van de aandacht voor tegenstellingen. 

Een constructievere dialoog
Dat brengt mij bij de wijze waarop de samenwerking over de toekomst van winkelgebieden nu is georganiseerd. Het ministerie van Economische Zaken heeft daarvoor jaren geleden de Retailagenda opgetuigd. De Retailagenda is echter altijd meer gedreven door de winkeliers dan door gemeenten en vastgoedeigenaren. Dat maakt een toekomstgerichte dialoog met de vastgoedsector bij voorbaat al moeilijk. 

Voor het succes van een Retailagenda is een het organiseren van de samenwerking tussen zo belangrijk. Lobbyisten spreken van ‘goed stakeholdermanagement’. Het klinkt simpel, maar de Retailagenda laat zien dat dit in de praktijk niet eenvoudig is. Het wordt vaak ad hoc en alleen vanuit het eigen belang beoefend. 

Bij stakeholdermanagement draait het er juist om dat partijen inzicht en begrip krijgen voor elkaars belangen in zich richten op elkaars standpunten. Discussies tussen winkeliers en vastgoedpartijen resulteerden nu vaak in een uitvergroting van tegengestelde standpunten. Alsof de onderhandelingen over huurprijzen onder toeziend oog van de staatssecretaris van Economische Zaken wél tot een bevredigend resultaat leiden? En voor een politicus is het verleidelijk de kant van de winkeliers te kiezen. Het probleem is daarmee echter niet opgelost. 

Op 3 maart jl. werd vanuit de Retailagenda een impactanalyse gepresenteerd. Hier werd de conclusie getrokken dat de krimp gevolgen gaat hebben voor de huurprijzen. Als dat de ‘retailagenda’ van de komende jaren gaat worden, moet je als overheid de dialoog anders faciliteren dan de afgelopen jaren is gebeurd. Ik pleit voor een nieuwe Retailagenda waarbij wordt gesproken over het omvormen van vierkante meters winkelruimte en daarmee een duurzame toekomst van winkelgebieden. Het betekent zorgen dat alle partijen opnieuw om tafel komen en dat begint met het zorgen dat alle partijen beter inzicht krijgen in elkaars belangen.